Nieuws

Nieuws

10
jun
2021

Geen hoger beroep inzake de Transparantie uitspraak van de rechtbank februari 2021

Het CvTA heeft besloten om het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank niet door te zetten. De procedure waarin de rechtbank vonnis heeft gewezen was het gevolg van een besluit van het CVTA gebaseerd op de insteek om de transparantiebepaling (art. 2p lid 1 sub c Wet toezicht) te gaan handhaven op basis van een gezaghebbende onderbouwing die in de wetgeschiedenis ontbreekt, maar die gelet op het belang van de transparantieverplichting voor rechthebbenden en gebruikers wel mag worden verlangd.

Het College meende die onderbouwing te hebben gevonden in de vorm van de op verzoek van het College vervaardigde rechtsvergelijkende opinie van prof. Hugenholtz, op de relevante punten ondersteund door prof. Hartkamp (verbintenissenrecht) en t.z.v. het mededingingsrecht door B.J. Drijber, A.G. bij de Hoge Raad. Door Sena en de NPO (belanghebbende) is hierop gereageerd met opinies en nadere opinies van prof, Quaedvlieg en prof. Senftleben gevolgd door een nadere opinie van prof. Hugenholtz. Met al deze opinies is er vanuit wetenschappelijk perspectief wat het CvTA betreft voldoende houvast geboden voor de interpretatie van de transparantieverplichting.

Dat de rechtbank in eerste aanleg zich betrekkelijk summier uitlaat over de invalshoek die in de door Hugenholtz voorgestane interpretatie centraal stond, te weten de teleologische interpretatie, is niet bevredigend, maar vormt geen op zich staande reden om alsnog over de interpretatie van de transparantieverplichting te willen procederen. Het CvTA ziet af van doorzetten van het hoger beroep omdat het primaire doel van het CvTA was duidelijkheid te creëren met betrekking tot de toepassing van de transparantiebepaling uit de Europese Richtlijn. Met deze uitspraak van de rechtbank ligt er wat het CvTA betreft nu een voldoende onderbouwde basis voor de toepassing van de transparantieverplichting

Het CvTA ziet de uitspraak van een hogere rechter vanzelfsprekend met veel belangstelling tegemoet. Intussen beschouwt het CvTA transparantie ook onverkort als een essentiële voorwaarde voor een goed functionerend collectief beheer en voor het doelmatig kunnen uitoefenen van het toezicht hierop. In lijn met de overwegingen van de rechtbank zal het CvTA zich nu in het bijzonder concentreren op de licentieverlening en verplichting in dat verband, om in goed vertrouwen te onderhandelen, elkaar alle noodzakelijke informatie te verschaffen, geen discriminerende voorwaarden te hanteren en geen onnodige vertraging te veroorzaken (art.16 Rl, art. 2l Wet Toezicht).


Deel dit bericht via email